Drie betrokkenen in gesprek over 65 jaar Stichting Het Groninger Landschap

Aan de vooravond van een nieuwe revolutie

Door Addo van der Eijk

De Stichting Het Groninger Landschap bestaat 65 jaar. En ook al is het geen zilveren of gouden, toch geeft elk jubileum stof tot nadenken. Wat hebben we bereikt? Waar staan we? Waar gaan we heen? Met deze hamvragen zette de Golden Raand drie personen om de tafel: directeur Gerard Sterkenburg, voorzitter Martinus van Hoorn en voorzitter van het Dollardteam Reint van der Veen. Onder het genot van een etensmaal raakten ze aan de praat. Wat volgde was een open gesprek over de beginjaren, over het veranderende landschap en vooral over strijd. Want dat heeft de Stichting al die jaren gevoerd. Op het scherpst van de snede vecht de Stichting Het Groninger Landschap voor het Groninger land. Al 65 jaar lang.

De tijd verstrijkt, het landschap verandert, maar aan één ding valt volgens de mensen aan tafel niet te tornen: het doel van de Stichting Het Groninger Landschap. Een leefbaar platteland, daar doen ze het allemaal voor. 'Wat een ironie eigenlijk, als je zo terugkijkt', zegt Sterkenburg als hij al aan het dessert zit. 'Tegenwoordig zijn we tot meer in staat dan vroeger, toen de Stichting nog klein was. We hebben geld en draagvlak, maar er is minder over om te behouden. Nu natuur schaars is, vinden mensen het belangrijker en stijgt de waarde ervan.'

Postzegels verzamelen
Aan tafel nemen ze een duik in de geschiedenis. Naar de oprichting, precies 65 jaar geleden. 'Wist je', zegt Van Hoorn, 'dat de oprichtingsakte in Amsterdam is ondertekend. Het initiatief lag bij Natuurmonumenten, die in de provincies weinig voor elkaar kreeg.' De eerste aankoop, de schans Bourtange, volgde drie jaar na de oprichting. 'Vlak voor de oorlog gekocht van het Ministerie van Oorlog', vertelt Sterkenburg. Hij laat zich lovend uit over de bestuurders uit de beginjaren. 'Het waren gemotiveerde mensen, die vonden dat het landschap teveel in beweging was. Geld had de Stichting toen nauwelijks. Aankopen betaalden ze met eigen geld, of ze gingen schulden aan. Daar heb je moed voor nodig. Neem het dak van de Coendersborg. Dat is betaald met de opbrengst van het kappen van iepen. Zo ging dat toen. En zo gaat het eigenlijk nog steeds. Niets gaat vanzelf.'
Terugkijkend valt het Van Hoorn op dat in de begintijd vooral cultuurhistorische objecten werden gekocht. Een schans, een stuk dijk, een oude eik, een terpkerkhof, een borg. 'Het vasthouden van het verleden, daar ging het om. Men had een statische blik op het landschap. Redden wat er te redden viel. Er was geen besef of kennis van ecologische systemen. En van het ontwikkelen van nieuwe natuur had men al helemaal nooit gehoord', legt Van Hoorn uit. Sterkenburg knikt instemmend en vult aan: 'Het idee dat je je beter kunt richten op het beschermen van natuurlijke systemen dan op afzonderlijke postzegels is pas veel later ontstaan. Die postzegels gaan ook kapot.'
Voor de andere kijk op de natuur zijn volgens Van der Veen met name de jaren tachtig cruciaal geweest: 'Natuur, milieu en landschap werden toen steeds belangrijker gevonden. Mensen werden zich bewust van de waarde ervan, en wilden er een bijdrage aan leveren. De Stichting liftte mee op deze trend.'

Nieuwe revolutie
'Laten we niet niet enkel terugblikken. Een jubilium leent zich juist om vooruit te kijken', vindt Sterkenburg. Hij geeft zelf een aanzet: 'Ik ben van mening dat we aan de vooravond staan van een nieuwe revolutie, die voor het platteland even ingrijpend zal zijn als de ruilverkaveling in de jaren zeventig. Zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking zullen het Groningse platteland doen veranderen. Boeren trekken weg en in hun plaats komen stadsmensen. De Blauwe Stad is daar een goed voorbeeld van. Al die stedelingen gaan een stadsleven leiden. En stadsmensen hebben natuur nodig. Om te wandelen, om hun hond uit te laten. Voor ons liggen daar kansen.' De revolutie is volgens Van Hoorn al gaande: 'Kijk maar rond. Dorpen verdubbelen doordat stedelingen buiten gaan wonen. Her en der verschijnen nieuwe bedrijventerreinen en wegen.'
Met het wegtrekken van de boeren, heeft de Stichting Het Groninger Landschap haar oog laten vallen op achtergebleven monumentale boerderijen. Daarvan staan nu al vele op instorten. Sterkenburg: 'Lange tijd hebben we daar weinig aan kunnen doen. Dat is zonde. Onze taak is immers om het platteland leefbaar te houden. Daarom gaan we ons de komende jaren - eigenlijk net als in de beginjaren - meer richten op de stoffering van het landschap, de oude boerderijen, de tolhuisjes, de landweggetjes en de molens.'

Openheid
Een oude boerderij die al langer in bezit is, is de Reidehoeve bij polder Breebaart. Deze boerderij wordt op het ogenblik omgebouwd tot bezoekerscentrum. Het illustreert de openheid, die voor de Stichting Het Groninger Landschap in de loop der jaren steeds belangrijker is geworden. 'Vroeger waren natuurgebieden er alleen voor de biologen. Verder mocht niemand er komen', zegt Van der Veen. 'Tegenwoordig is iedereen welkom. Neem het Zuidlaardermeergebied, de Lettelberterpetten of polder Breebaart. We doen er alles aan om ze toegankelijk te maken voor het publiek.'
De openheid geldt niet alleen voor de natuurgebieden, maar ook voor het beleid en de bestuurders. Het heeft de Stichting goed gedaan. Het aantal bezoekers, Beschermers en vrijwillig medewerkers is het afgelopen decennium explosief gestegen. Dat biedt perspectieven, bijvoorbeeld voor het opzetten van nog meer bezoekerscentra. Volgens Van der Veen staan een viertal centra op stapel: 'Net als de Reidehoeve zullen ze meer bieden dan alleen een tentoonstelling over het gebied. Schoolklassen worden er ontvangen, rayonbeheerders hebben er een kantoor en wie weet geven we ook wetenschappers onderdak, zodat ze het gebied kunnen monitoren.'

Commitment
Aan tafel valt diverse keren het woord 'commitment'. Betrokkenheid van de politiek, van medewerkers en niet te vergeten: van buurtbewoners. 'Mensen uit de omgeving willen we bij de gebieden betrekken, zodat zij het gevoel krijgen dat het ook van hen is. Vooral de jeugd is belangrijk, want tja, ook al is het een cliché, toch geldt 'wie de jeugd heeft, heeft de toekomst', aldus Van der Veen.
Terug naar de tijd van de harde acties, daar geloven ze aan tafel niet in. In de beginjaren zeventig dacht men daar anders over. Toen stond ook Sterkenburg op de barricade, onder meer voor het behoud van de Dollard. 'Maar ja, als je geen gesprekspartner bent, zoals we dat nu wel zijn, dan moet je wel actievoeren', zegt hij. 'Als een plan tegenwoordig door de overheid wordt gepresenteerd, dan zit ons werk er al op. Om dan nog actie te voeren, is zinloos. En ik kan je verzekeren: achter de schermen speelt een gigantisch onderhandelingencircus. Een subtiel spel dat rendeert.'

Nieuwe inzichten
'Maar we hebben het ook wel eens mis', zegt Sterkenburg, om niet de indruk te wekken dat ze zich aan tafel al te veel op de borst kloppen. Hij noemt als voorbeeld de Westerbroekster-madepolder. 'Twintig jaar geleden werd aan ons gevraagd of het noodzakelijk was om de dijk rond de polder te herstellen. Natuurlijk moest dat, vond ik. 'Ooit weleens weidevogels zien zwemmen?', reageerde ik schamper. Destijds was ons beheer in de polder gericht op weidevogels. Maar tijden veranderen. Nu kiezen we voor waterberging, en daarvoor wordt de Westerbroekstermadepolder de komende tijd alsnog af en toe onder water gezet. Zo zie je maar: zelfs het begrip natuur is trendgevoelig. Maar daar kan de natuur zelf weinig aan doen. Dat ligt aan ons.'

65 jaar in vogelvlucht

De Stichting het Groninger Landschap is opgericht op 3 april 1936. De eerste aankoop was in 1939 de linie ten oosten van Bourtange. De jaren daarna kon de Stichting, door geldgebrek, niet voldoen aan haar voornaamste taak, namelijk het aankopen van gebieden. Maar ze heeft niet stil gezeten. Gemeenten werden het doelwit. Bestuursleden hielpen bijvoorbeeld bij de aankoop van de borg Allersma en de borg Ekenstein. De eerste grote aankoop was in 1956 het landgoed de Coendersborg. Sindsdien is het areaal alsmaar gestegen. In 1969 was de totale oppervlakte van de bezittingen 500 hectare, in 1974 1867 hectare en op dit moment 7300 hectare. Een merkwaardige aankoop was het meubilair uit de Doelenkelder, ontworpen door de architect en restaurateur van historische bouwwerken, Wittop Koning. Deze stoelen en tafels zijn gebracht naar de Ennemaborg.
Het jaar 1952 stond in het teken van de ontsierde reclame. Het bestuur maakte zich zorgen over de reclameborden, die met hun felle kleuren het landschap aantasten. Talloze keren heeft de Stichting zich ook verzet tegen het aanleggen van wegen. Een aantal voorbeelden: de brug over het te vergroten Paterswoldsemeer, de tracé Rijksweg rondom Scheemda, de Rijksweg tussen Winschoten en Zuidbroek. De weg door het Reitdiepdal is er, mede door het aangeboden alternatief, niet gekomen.
Tot 1972 werd de Stichting enkel gerund door vrijwillig medewerkers. In dat jaar kon een lang gekoesterde wens vervuld worden: een beheerder aannemen. En hij kwam geen dag te laat, want de storm van november 1972 had behoorlijk huisgehouden in de Bourtanger Schans, de Coendersborg en in de Ennemaborg.
Oude jaarverslagen geven aan dat de Stichting vroeger weinig deed aan voorlichting en het organiseren van activiteiten. Dat is duidelijk veranderd. De slogan 'Dichtbij de natuur, dichtbij de mensen' is beginjaren negentig niet voor niets gekozen. Dat blijft wel uit de projecten van het afgelopen decennium: het Waddencentrum Pieterburen, de Kiekkaaste, de Kiekhorn, Water over Wolfsbarge en de Reidehoeve.